Skip to main content
Online

Berooide burgers

Overleven tijdens de bezetting

Deventer kreeg een bezetting van Keulse troepen. De soldaten werden bij de burgers ingekwartierd, die hen van kost en drank en ander benodigdheden moesten voorzien. Het garnizoen werd regelmatig gewisseld. Bij elke wisseling moest de bevolking nieuwe offers brengen.

De stad moest ook nog eens 6000 gulden belasting per maand aan de Keulse bezetter afdragen. Intussen liepen de inkomsten hard terug, doordat onder meer de handel met Holland stil lag. Op het platteland was de situatie bijna nog erger. Het buitengebied van Deventer had sterk te lijden onder plundering en brandschatting door de Keulse bezetters.

Klok of bel met in omschrift: Schimmel Me Fecit Daventriae 1670, Gerrit Schimmel (1664-1705) (1670) (Collectie Museum De Waag)

Om aan deze maandelijkse belasting te voldoen werden alle tegoeden aangewend, ook de zilveren bekers die op het stadhuis werden bewaard. Deze bekers werden gemaakt na afloop van een ambtstermijn van een burgemeester. De gehele zilverschat bestond uit 36 stukken, waarvan 21 bokalen. Zilversmid Lucas Luyckxen kreeg op 30 juli van Hendrik Nilant de opdracht om de schat om te smelten tot noodgeld. Bewijs van het Rampjaar zien we terug op deze noodmunten. Op de achterzijde van deze noodmunt lezen we: ‘Door vijands maght en paaps geweldt verkeert ons glans in vierkandt geldt’.

Van al het Deventer stadszilver is één beker gered van de ondergang. De beker van Adriaen van Boekholt is als enige bewaard gebleven. Deze bokaal is in 1660 gemaakt door de Amsterdamse smid Michiel Esselbeeck. Neef Arnold van Boekholt wist de beker tijdens het Rampjaar te redden door deze persoonlijk aan te kopen. In 1953 kon Museum De Waag, met dank aan Vereniging Rembrandt, dit meesterstuk aankopen en had Deventer zijn enige raadsherenbokaal weer terug.

Raadsheren van Adriaen van Boekholt, Michiel Esselbeek (1660) (Collectie Museum De Waag).