Deventer kreeg een bezetting van Keulse troepen. De soldaten werden bij de burgers ingekwartierd, die hen van kost en drank en ander benodigdheden moesten voorzien. Het garnizoen werd regelmatig gewisseld. Bij elke wisseling moest de bevolking nieuwe offers brengen.
De stad moest ook nog eens 6000 gulden belasting per maand aan de Keulse bezetter afdragen. Intussen liepen de inkomsten hard terug, doordat onder meer de handel met Holland stil lag. Op het platteland was de situatie bijna nog erger. Het buitengebied van Deventer had sterk te lijden onder plundering en brandschatting door de Keulse bezetters.
Om aan deze maandelijkse belasting te voldoen werden alle tegoeden aangewend, ook de zilveren bekers die op het stadhuis werden bewaard. Deze bekers werden gemaakt na afloop van een ambtstermijn van een burgemeester. De gehele zilverschat bestond uit 36 stukken, waarvan 21 bokalen. Zilversmid Lucas Luyckxen kreeg op 30 juli van Hendrik Nilant de opdracht om de schat om te smelten tot noodgeld. Bewijs van het Rampjaar zien we terug op deze noodmunten. Op de achterzijde van deze noodmunt lezen we: ‘Door vijands maght en paaps geweldt verkeert ons glans in vierkandt geldt’.
