In Deventer was sinds maart 1672 uit alle macht aan verbetering van de vestingwerken gewerkt. Het had een godsvermogen gekost. Om vrij schootsveld te hebben waren de meeste gebouwen en bomen rondom de stad verwijderd. Maar op orde was de verwaarloosde verdediging nog lang niet. Bovendien stond de IJssel en daarmee de grachten gevaarlijk laag, waardoor deze vrij eenvoudig over te steken waren. De situatie was uiterst zorgwekkend.
De Deventer verdediging bestond uit soldaten, eigen burgers en Hollandse boeren. Hun commandant Stecke kon geen echte vuist maken, want de stadsbestuurders hadden het laatste woord én de stadssleutels.
Op 20 juni 1672 deed Hendrick de Sandra, de majoor van het regiment cavalerie, een uitval via de Noordenbergpoort om de vijandelijke beschietingen van de stad te verstoren. De honderd ruiters kregen onvoldoende steun van de tweehonderd voetsoldaten, waardoor de uitval op niets uitliep. Het optreden van De Sandra leidde na het vertrek van de vijandelijke troepen mede tot zijn aanstelling tot gouverneur of ritmeester van de stad.